juli 4, 2015 - admin

De grote filosofen: historie en psychologie

(in progress)

In dit artikel wordt de achtergrond van de filosofie beschreven van de grote filosofen uit het verleden. Hun werk wordt slechts zijdelings behandeld. In hoofdzaak gaat het in dit artikel om de psychologische en historische rechtvaardiging van de filosofieën te behandelen. Zonder die rechtvaardiging zouden de filosofieën niet zijn ontstaan en zou dat niet tot vooruitgang hebben geleid. Zoals Nietzsche schrijft in zijn aforisme “Een paar sporten terug” is het nodig om terug te gaan in de tijd en nagaan hoe de metafysica in het verleden tot vooruitgang heeft geleid. Het gaat daarbij met name om de psychologische en historische rechtvaardiging van die voorstellingen te kennen.

We zullen zien dat de filosofie de wetenschap heeft geinspireerd, maar dat geldt zeker ook andersom, in die mate zelf dat de filosofie zich actief tegen de wetenschap heeft moeten afzetten om haar eigen karakter en zeggingskracht niet te verliezen (vooral ten tijde van Gassett en Husserl). Dat is ruimschoots gelukt.

René Decartes
In de tijd waarin Descartes leefde komen de natuur en sterrenkunde sterk opzetten. Descartes is hier zeer van onder de indruk en onder invloed hiervan.
Hij bedenkt het onderscheid tussen lichaam en ziel en de tegenstanders van deze visie vrezen dat dit leidt tot atheïsme. Referen naar zijn werk werd verboden. Cartesianen werden niet benoemd aan universiteiten.
In die tijd worden filosofen vaak beschuldigd van atheïsme. Dit is ook bij Spinoza het geval.

Descartes is de grondlegger van het rationalisme, dat uitgaat van de gedachte dat alleen het denken tot ware kennis kan leiden (en niet de zintuigen). Leibniz en Spinoza waren aanhangers van het cartesianisme.

Filosofie is in die tijd nog geen op zichzelf staande activiteit. Descartes was ook wiskundige en heeft veel bijdragen geleverd aan de wiskunde.

In Groot-Britannie kwam een tegenstroming opzetten, namelijk het empirisme dat de zintuigen en de ervaring als bron van kennis zag.

Descartes wordt in de continentale filosofie tot aan de Romantiek als geldig bevonden. Zijn filosofie heeft dus gedurende lange tijd stand gehouden.

Als historische rechtvaardiging voor zijn filosofie kan de mechanische denkwijze in zijn tijd worden aangevoerd. Newton is de grondlegger hiervan, die wetenschap had veel succes en beheerste de intellectuele klasse. Het mechanische kon op alles worden toegepast.

De wetenschap kwam opzetten, het wetenschappelijke onderzoek was pas begonnen. Die wetenschap moest om die reden gefundeerd worden en dat deed Descartes.

Psychologische rechtvaardiging: de filosofie kan niet achterblijven en moet zich heruitvinden om niet de greep op de wereld te verliezen, Descartes moet als filosoof zichzelf bevestigen. Filosofie moet baas blijven over de wetenschap en deze tegelijk van een fundament voorzien om zo de wetenschap geldig te maken. Een kans om te ontsnappen aan eeuwen van verblinding en dwaling, dit laatste is zowel een historische als psychologische verklaring. Descartes bedenkt zich dat alles wat gekend wordt, via de zintuigen, allemaal ongeldig is omdat hij vindt dat de zintuigen geen grondslag vormt voor ware kennis. Aan alles kan worden getwijfeld zelfs aan het bestaan van de buitenwereld, daarom vindt hij de wetenschappelijke methode uit die wel tot geldige kennis kan voeren, waarbij uitgangspunt is “ik denk, dus ik besta.”

Deze uitspraak leidt tot solipsisme. Dat vormde eveneens een probleem voor Descartes. …

Leibniz en Spinoza

In de tijd van Leibniz en Spinoza stond filosofie bedrijven nog gelijk aan een soort avontuur. Het avontuur van het denken kon de hele wereld op zijn kop zetten. Het vond daarbij ook nog eens min of meer in het geheim plaats, omdat openbare uitingen die filosofen deden op veel weerstand konden stuiten bij de gezaghebbende machten, bijvoorbeeld de kerk, maar ook de andere instituties. Dat gold met name voor Spinoza, Leibniz was niet zozeer tegen de kerk en het gevestigde geloof gekeerd. Leibniz en Spinoza voerden een soort van tweestrijd betreffende wie gelijk had en aan het kortste eind zou trekken. Vooral Leibniz was erg op zijn hoede en nieuwsgierig naar de vorderingen van Spinoza. De heren wisten dat er veel op het spel stond en hun werk de wereld voorgoed zouden veranderen, ze dachten op het spoor te zijn van de waarheid. Dit avontuur is een psychologische rechtvaardiging.

Het is zeer goed in te voelen dat intelligente mensen als Leibniz en Spinoza in conflict kwamen met de wereld om hen heen. Ze waren daarom geinteresseerd in het vrije denken en juist dat werd niet echt toegestaan. Om filosofie te bedrijven op de manier van Spinoza en in zijn tijd was veel moed nodig, wat een psychologische rechtvaardiging is. Enerzijds leefden deze lieden dus een geisoleerd leven, noodgedwongen, omdat het ze anders de kop zou kunnen kosten, anderszijds wilden ze niets liever dan in de openbaarheid treden om het nieuws dat zij te vertellen hadden wereldkundig te maken. Dat was de spanning die hun activiteit nog verintensifeerde. Dat ze niet alleen waren, maar op de hoogte van elkaars bestaan en werk (tot op zekere hoogte) zorgde voor een wedijver die het avontuur nog eens versterkte (al gold dat vooral voor Leibniz zo schijnt).

De intellectuele strijd van Spinoza en Leibniz, een strijd die vooral van de zijde van Leibniz uitgaat, is over de aard van God. Leibniz gelooft in een rechtvaardige God terwijl voor Spinoza God gelijk is aan de natuur, zonder intellect of wil. Leibniz bestrijd dit fel, hij kan Spinoza en diens werk niet verkroppen.

Spinoza en Leibniz zijn verwanten, maar alleen omdat ze beide geloven in de kracht van de rede. Ze proberen beide de opkomende wetenschappen te begeleiden met een filosofie die een beeld moet opleveren van de wereld als geheel Hoe God te denken in een steeds rationeler wordende wereld? Dat was de prangende vraag waar een antwoord op ontwikkelt moest worden en dus een historische rechtvaardiging. Tijdgenoten zagen daar geen belang in. Maar het gaat hier wel om de totstandkoming van de moderne wereld. De invloed van deze denkers is daarbij onmogelijk te onderschatten. Er kwam, met Spinoza, een alternatieve verklaring voor de wereld, die er voordien nog niet was of anders heeft Spinoza daar wel een grote bijdrage aan geleverd. De wetenschappen werden ingebed in een wereldverklarend kader dat weerstand bood tegen de gevestigde religieuze overtuigingen met bijbehorende levenswijze en werd uiteindelijk dominant. Dat was al begonnen bij Descartes, maar Spinoza heeft het Godsbegrip aanzienlijk gewijzigd en geneutraliseerd. Daarmee heeft hij ook bijgedragen aan een objectievere zienswijze die voor uitoefening van de wetenschappen uiteraard onontbeerlijk is.

Schopenhauer

Schopenhauer was een vernieuwer van de filosofie, omdat hij de wereld (op morele basis) ging beoordelen en hij kwam daarbij tot een pessimistisch wereld beeld. Het ging er volgens hem om het lijden te minimaliseren om een zeker geluk te bereiken. Hij bracht harmonie in de wereld door een deugdenethiek te combineren met een wereldbeeld, het concrete bestaan van de mens werd gefundeerd in een theorie van de (werking van de) wereld. Dit in tegenstelling tot de leer van Hegel die zuiver theoretisch van karakter bleef.

Zo kunnen we aannemen dat de drang tot “vernieuwing” ook een psychologisch rechtvaardiging is, evenals, daarbij gepaard gaande, een gevoel van orginaliteit bij de filosoof en daarbij gepaard gaand een overschatting, namelijk dat de filosoof, Schopenhauer in dit geval, het laatste woord heeft in de filosofie (zoals Nietzsche ook beargumenteert in Morgenrood).

Schopenhauer verafschuwde de filosofie van Hegel en kon moeilijk verkroppen dat diens filosofie zoveel in de belangstelling stond vergeleken met zijn eigen werk. Animositeit en ijdelheid zijn een filosoof niet vreemd, dat goldt zeker voor Schopenhauer.

We zien een zekere continuiteit vanaf Spinoza om de wereld in zijn geheel te begrijpen, bij zowel Hegel (wiens werk hier onbehandeld blijft) als bij Schopenhauer. Dat ging gepaard met het schrijven van dikke boeken. Het schrijven van een magnum opus op zich kan ook al als psychologische rechtvaardiging gelden, namelijk als het leveren van een prestatie van groot formaat. Misschien was in vroegere tijden alleen mogelijk als metafysica. Begrip van de wereld kon niet anders dan via de metafysische weg ontwikkeld worden, mocht er geen radicale breuk met het verleden gevormd worden. Schopenhauer was ondanks zijn organiliteit nog niet tot een radicale breuk in staat, zijn werk is sterk metafysisch. Maar hij legde een basis voor verandering. Nietzsche, sterk beinvloed door Schopenhauer, gooide de filosofische traditie pas echt overhoop. Hij had echter een metafysisch basisidee nodig om dat te doen, zijn idee van “de wil tot macht”. Dit vormde een breuk. De pessimistische wereldvisie van Schopenhauer werd radicaal omvergeworpen door een ja-zeggen tegen het leven. Dat is een sterk psychologische rechtvaardiging.

Bergson (1859 – 1941)

Natuurwetenschap mechanisch. Bergson stelt echter dat de wereld niet mechanisch is, dat was geen nieuw denkbeeld want reeds Schopenhauer schreef al over de “wil” als wezen van het leven en het universum. Echter Bergson had met de evolutieleer nu een gereedschap in handen om de leer van het mechanische te bestrijden, Schopenhauer kon alleen de wil als fundament van al het bestaande poneren. Na Schopenhauer is met Darwin de evolutieleer ontstaan en Bergson verwerkte deze in een nieuwe filosofie. Je zou dus kunnen zeggen dat Bergson’s filosofie meer wetenschappelijk is, en daarom enerzijds terugblikt op de geschiedenis van de filosofie van Descartes, wiens filosofie ook een meer wetenschappelijk karakter had, en anderzijds een uitzicht biedt op de toekomst. Bergson als kantelpunt. De inzichten van de evolutieleer stonden haaks op die van de natuurwetenschap. Ondanks de nieuwe inzichten was het mechanische karakter van de natuur, zoals de natuurwetenschap deze beschreef niet zomaar aan de kant te zetten. Bergon probeerde de dichotomie die was ontstaan tussen het mechanische en het levende/evoluerende (vitalisme), te overbruggen met zijn gedachten over het komische. De komiek heeft iets weg van een automaat, dit vormt een tussenschakel tussen de mens als levend iets, en de mens als mechaniek, zoals Descartes de mens nog dacht. Zo gezien kan dit als een karikatuur van het denkbeeld van Descartes beschouwd worden en een afrekening met het denkbeeld van de natuurwetenschap, dat als beschrijving van de mens heeft afgedaan, ten faveure van dat van de nieuwe evolutieleer, wat een beter begrip geeft van de mens. Bergson heeft de evolutieleer in zijn werk filosofisch gestalte willen geven, om de mens te beschrijven. Maar hij week ook sterk af van de wetenschappelijke evolutieleer, door een filosofische versie ervan te ontwikkelen, redde hij de filosofie.

Ook continuiteit: door Bergson’s beschrijving van de komiek als automaat weten we ons verbonden met Descartes’ ideeëngoed.

Ortega y Gasset (1883 – 1955)

Gasset leverde kritiek op de boventoon die de wetenschap in zijn tijd en ook daarvoor al voerde in de cultuur. Het leidde tot dorheid, de filosofie was ook dor geworden. Gasset leverde tegengas. Net als Bergson had gedaan. De filosofie stond nog steeds op achterstand ten opzichte van de snelle ontwikkelingen in de wetenschap.

Gasset was mogelijk de eerste geëngageerde filosoof van de moderniteit, die vervolgens navolging heeft gekregen in een figuur als Sartre, die daar toonbeeld van is geworden en er een uitgesproken publiek optreden op nahield, of hij dat nu nastreefde of niet. Gasset heeft de filosofie populair heeft willen maken, hij hield voordrachten voor een publiek die niet geschoold was in de filosofie, leken dus. Dat blijkt bijvoorbeeld uit dat hij het als de aard van de filosofie beschouwd dat het een bezigheid is die niet geworteld is in gewichtigheid, zoals wellicht de wetenschap van zijn tijd, maar zich juist afvraagt, spelenderwijs, hoe de wereld is, zonder bij voorbaat een positie in te nemen. Een soort fantaseren die toch gaat over de meest fundamentele zaken van de wereld. Fundamenteel, want de filosofie die Gasset uiteenzet in “Wat is filosofie” (een reeks voordrachten die hij gaf, die in boekvorm zijn uitgegeven), is en blijft metafysica. Hij stelt namelijk dat “het leven” het fundament is van de filosofie en modificeert eigenlijk het idealisme. Er is niet één absolute werkelijkheid, zoals het bewustzijn zoals het Idealisme stelde, de werkelijkheid bestaat uit een co-existentie van mij als mens en de dingen om mij heen. Gasset blijft echter ook vasthouden aan het idealisme, omdat hij ervan uitgaat dat “het leven” en “mijn leven” min of meer equivalenten zijn. Er is dus geen besef van wat Oosterling aanduidt met ‘meerschaligheid’, waarvoor nodig is dat mensen reflecteren op hun handelen en snappen dat ze middelpunten zijn in een netwerk, die zowel een micro- meso- en macropolitiek karakter heeft, en dat het er juist om gaat van van die meerschaligheid gebruik te maken om zo je leven te kunnen styleren in een ‘relationele’ sfeer met anderen.

Gasset meldt ook dat hij degene is die het woord “existentie” in de wereld heeft gebracht. Heidegger was de tijdgenoot van Gasset. Gasset is vol lof over het werk van Heidegger. Maar in tegenstelling tot Gasset, de geengageerde, publieke filosoof, was Heidegger in mijn optiek eerder een solipsist. De invloed van Heidegger’s werk onder filosofen mag dan groot zijn, het spreekt mij weinig aan.

Wellicht heeft de wetenschap ook weten te profiteren van Gasset’s activiteit. Door de wetenschappelijke kennis als saai te doen laten voorkomen (in navolging van Nietzsche, zie aforisme ‘Toekomst van de wetenschap’, Menselijk al te menselijk), heeft hij de wetenschap zich laten terugtrekken op haar eigen domein. Daardoor kon het zich wellicht verder professionaliseren. Hierdoor en door het begrip ‘co-existentie’, en door het credo ‘het leven’ als fundament van de filosofie, als zijn bestaansrecht te laten fungeren heeft Gasset er zorg voor gedragen dat mensen niet langer als ‘subjecten’, als onderdanen (Cornelis) van de wetenschap golden en zich daarvan losmaakten. (Michel Foucault heeft mbt deze kwesties een uitgebreide studie gemaakt, over “de dood van de (wetenschappelijke visie op de) mens”.) Dit verandert de machts- en invloedssfeer van de wetenschap, uiteraard een zeer geleidelijk proces. De wetenschappelijke kennis krijgt een ander karakter en hierdoor verandert ook de wetenschapspraktijk. Richting een verdere professionalisering, mensen worden klant van de wetenschap. (Cornelis)

Husserl is een fenomenoloog. Hij kreeg navolging van Heidegger en Merleau-Ponty en ook de twintigste eeuwse Franse filosofie is sterk door Heidegger en Husserl beinvloedt. De jonge, hedendaagse filosoof Quintin Meissalloux probeert de filosofie van Heidegger, de schaduw van Heidegger te overwinnen. Zo zien we dat een psychologische rechtvaardiging van alle filosofie ook een polemiek betreft tussen de filosofen onderling, vooral die van de verschillende generaties en die van dode, invloedrijke filosofen uit een ander tijdperk tot die van filosofen van een later (huidig) tijdperk. Als de tijd verandert, verandert de filosofie mee, en andersom.

We zien ook dat filosofen begrippen van eerdere filosofen overnemen, om deze begrippen nieuw leven in te blazen. Hierin laat zich juist een continuïteit in de filosofie aftekenen. We zagen dat al bij Bergson mbt de mechanische leer van Descartes, dat betrefde echter eerder een karaktatuur. Ander filosofen laten zich beinvloeden. We zien vanaf Nietzsche in de filosofie een sterke ontwikkeling waarbij het idee van het idealistische, subjectieve en autonome individu wordt verlaten ten gunste van een idee van co-existentie (Gasset), of “being-with” (Nancy) en het “interindividu” (Oosterling) of ook wel een denken van “de ander”, zelfs binnen een en hetzelfde mens, als binnen iedere identiteit, dus ook bijvoorbeeld Europa (Derrida). Het lijkt erop dat een ontwikkeling betreft en een denken die niet langer als metafysisch gekarakteriseerd dient te worden. Het is meer ontologisch, fenomenologische en ethisch. Misschien moeten we daar ook nog aan voorbij, zo nam Gasset in de eerste helft van de twintigste eeuw al afstand van de fenomenologie. Ontologie biedt een soort van model van de werkelijkheid, dat pragmatisch is en werkbaar. Ethiek zal blijven, maar in een wereld Voorbij Goed en Kwaad, worden ethische kwesties steeds minder problematisch van karakter, steeds minder voer tot filosofisch grondig denken en dat zou een goede ontwikkeling zijn.

We zien al met al dat er uiteindelijk in de filosofie iets tot stand komt, dat bruikbaar is voor het leven. De filosofie wordt volwassen in een langzaam metafysisch proces, de metafysica kan opgevat worden als slechts het voorstadium van de filosofie, maar zonder dat proces, was de wereld onderontwikkeld gebleven. Zo heeft de wetenschap veel te danken gehad aan de filosofie, zo is de filosofie een inspiratiebron en een bron van genot geweest voor talrijke mensen, zo heeft zij aan de ontwikkeling van de kunst veel bijgedragen en aan het politieke denken. Zonder filosofie geen voortgang en geen vooruitgang, zonder filosofie geen begrip van de wereld, of die nou op dwalingen berust of niet, zonder begrip komt de mensheid niet vooruit. Een andere algemene trek van de filosofie, is zoals het woord zichzelf definieert: de liefde voor wijsheid. Het was vaak de uitdaging om de filosofie steeds (opnieuw) relevant te maken voor de wereld, waarmee keer op keer filosofische aardschokken en in het uitzonderlijke geval erupties (zoals bij Nietzsche) te weeg werden gebracht, die sterke impact hadden en hebben op de tijd. Zelfs tot vandaag de dag blijft het werk van denkers als Plato, Schelling, Kant, Nietzsche actueel en inspireren. En wellicht morgen weer anderen.

 

bronnen:

De ketter en de hoveling

Wikipedia

http://www.utwente.nl/gw/onderwijs/aanbod/minor/minorsgw/wijsbegeerte/descartes/

Filosofie Descartes / Gasset / Nietzsche /

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *