juli 4, 2015 - admin

De demagogie van Peter Sloterdijk

Ik wil in dit artikel enkele centrale ideeën van Peter Sloterdijk becommentariëren en de zwaktes van zijn betoog laten zien, een betoog dat vooral steunt op een demagogische stijl. Ik wil ook duidelijk maken dat Sloterdijk’s ideeën geenszins in de traditie van Nietzsche staan. In tegendeel, de ideeën van Peter Sloterdijk staan in scherp contrast met het werk van Nietzsche, wat ik laat zien door te verwijzen naar enkele aforismes van Nietzsche, waarin Nietzsche zijn lezers o.a. opmerkzaam maakt van en attent maakt op gevaar. Ik ga dieper in op het contrast met het werk van Nietzsche, ik laat zien hoe centrale thema’s (de “herwaardering van waarden”) in Nietzsche’s werk in Sloterdijk’s ideeën worden miskend. Ik sluit af met enkele opmerkingen om Sloterdijk als denker en publieke figuur te karakteriseren.

Ik wil er expliciet op wijzen dat de artikel de duistere kant van Sloterdijk laat zien. Hij heeft ook interessante en bruikbare ideeën ontwikkeld. Ten aanzien van die duistere kant: ik kan mijn daadwerkelijke vermoedens niet prijsgeven, want daarvoor zou ik Sloterdijk in een te kwetsbare positie plaatsen. Mijn kritiek betreft een bepaalde lezing / interpretatie van zijn werk en concentreert zich op bepaalde opvattingen van hem, namelijk, vrij geïnterpreteerd (1) dat we de staat moeten afbreken en in plaats daarvan geld moeten geven aan organisaties om vervolgens die organisatie de les te lezen (tenminste dat is het logisch gevolg van wat hij hierover heeft gezegd in een interview in Filosofie Magazine); (2) dat de mens door te oefenen, zich moet laten leiden door een ‘verticale spanning’, maar die zou ons weg kunnen voeren van onszelf en de menselijke natuur. (Bij een meer optimistische lezing echter, wil ik er meteen bij zeggen, is wat Sloterdijk schrijft over dat oefenen, en ‘co-immunisme’ te bereiken, uiterst belangwekkend.)

Laat ik eerst enkele bedenkingen en ongerijmdheden plaatsen die men kan waarnemen bij Sloterdijk:

  • Sloterdijk stelt dat de vraag “Waar zijn we?” essentieel is in onze tijd. Nou we zijn in het schuim, lijkt me, want daar heeft hij het nou net over. En we bevinden ons ook niet in het schuim, in de virtuele ruimten op internet, in de gedeelde ruimtes (winkels, openbare ruimten), en we genieten bijvoorbeeld gezamenlijk van festivals en concerten. Maar laten we Sloterdijk een wedervraag stellen: Waarom eigenlijk die vraag stellen, de vraag “waar zijn we?”? Over beide vragen heeft Sloterdijk ongetwijfeld zijn gedachten, maar die ventileert hij niet.
  • Hij wilt stoppen met het betalen van belasting. Maar hij verkrijgt zelf wel inkomen uit belasting met zijn baan bij een onderwijsinstelling.
  • Mensen mogen zichzelf niet ontwikkelen, maar hij wil zichzelf wel vrij kunnen ontwikkelen (met zijn inkomen uit belasting dus).
  • Hij schetst in “De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd” een “diepzwart portret van de moderne mens”. En dat is dezelfde auteur als die van De Kritiek der Cynische Rede?
  • Mensen moeten hun leven veranderen en daarbij stelt hij de sport als voorbeeld. Ook bij het geven van geld moet dat leiden tot een sportieve competitie tussen mensen. Maar de sport zelf gaat volgens hem ten onder als gevolg van dopinggebruik.
  • In “Woede en Tijd” schrijft Sloterdijk dat Nietzsche ergens een fout maakt en dat Nietzsche meer kennis over een bepaald onderwerp had moeten hebben. Dit is ressentiment van Sloterdijk ten opzichte van Nietzsche.
  • Hij heeft over zichzelf en andere denkers het volgende gezegd: “iedereen liegt voor zichzelf alleen” (5). Dat is de fabel die Peter Sloterdijk zichzelf heeft wijsgemaakt, om zichzelf motivatie te verschaffen en om zichzelf te rechtvaardigen.

“De crisis”

Sloterdijk probeert met zijn publicatie “Je moet je leven veranderen”, de lezer, direct aan te spreken. En dan ook meteen maar met de meest gebiedende moraal. De crisis zou mensen gebieden dat ze hun leven moeten veranderen. Hij vergelijkt met de ervaring die Rilke had bij de aanschouwing van een stenen beeld. (1) Maar die vergelijking gaat totaal mank. Een beeld in steen is een kunstwerk, terwijl een crisis ongeveer het omgekeerde is. Sloterdijk heeft het over “de crisis”, maar over wat voor crisis heeft hij het dan eigenlijk? In mijn optiek gebruikt Sloterdijk “de crisis” om zijn eigen verhaal door te kunnen drukken. En door je te onderwerpen aan de crisis, werkt de kwaal als remedie, dat kan niet goed zijn.

Arnold Cornelis betoogt echter dat er helemaal geen crisis is, maar dat de vorming van het nieuwe systeem, dat van de “communicatieve zelfsturing” de wereld destabiliseert. Dat is in het verleden ook gebeurt met de vorming van een nieuw systeem, wat Cornelis in zijn werk beschrijft, en dat is nu weer het geval. Nu gaat het echter om de vorming van een systeem dat de beide eerdere systemen, of stabiliteitslagen in de cultuur, zoals Cornelis ze noemt, op elkaar afstemt. (12)

De uitwerking van een handelingswijze die door Sloterdijk wordt gepropageerd is ongeveer het tegenovergestelde van wat Nietzsche schrijft in het aforisme “het grootste gevaar” (aforisme 76, uit De Vrolijke Wetenschap). Nietzsche schrijft hier van “wij anderen”, die “de uitzonderingen” zijn en ook het gevaar vormen voor het voortbestaan van de mensheid. Nietzsche spreekt hier ook van de “tucht van het hoofd”, wat een gezamenlijke inspanning betreft van de overgrote meerderheid van de mensen. Sloterdijk spreekt echter van een “trainingsprogramma”, dat je moet vervangen door een beter trainingsprogramma. Alsof mensen een “trainingsprogramma” hebben. Met het individuele trainingsprogramma verdwijnt “de tucht van het hoofd” naar de achtergrond. En in Sloterdijk’s visie is helemaal geen sprake van de mogelijkheid van “wij anderen” en “uitzonderingen” waar Nietzsche over schrijft in dit aforisme. Bij Sloterdijk willen de mensen die er een trainingsprogramma op na houden en aangetrokken worden tot een verticale spanning zich vervolgens laten gelden. Terwijl Nietzsche juist schrijft dat het positieve aan “de anderen” is, dat zij uitzondering blijven en niet regel willen worden. Merk ook op dat Nietzsche in dit aforisme schrijft over een “behagen in de waanzin” bij literatoren en kunstenaars en spreekt van “overlopers”.

Sloterdijk heeft het over de aantrekkingskracht van een “verticale spanning”. Het kan zijn dat die aantrekkingskracht ligt in de vervlakking van waarden, waar Nietzsche over schrijft. Dus die aantrekkingskracht tot die “verticale spanning” heeft zo bezien zijn oorzaak in een tekort en een gemis, het is op zichzelf niet wenselijk. Want die “verticale spanning” heeft ons niks te bieden, in tegendeel, het is een zeer negatieve spanning. Met die “verticale spanning” raakt men onthecht aan de aarde. En het aardse leven, dat is bij Nietzsche juist de “hoogste waarde”. Dit soort spanningen leiden tot psychoses en waanzin, en tot collectieve waanzin als het contact ook spanningen tot anderen gaat betreffen, dit is het gevaar waar Nietzsche over schrijft. Dan kan een spanning nog wel “verticaal” heten, maar dat maakt haar nog niet meteen positief en wenselijk. Maar als het als positief wordt gezien leidt het tot “leren van waanzin en zelfdestructie”, dan gaat het dus helemaal verkeerd. Sloterdijk schrijft echter “Hoger dan je zelf moet je bouwen” (zelfdestructie dus) (2), maar wat bedoelt Sloterdijk in deze context met “hoger”, dat wordt nergens duidelijk in zijn betoog. Daar laat hij zich niet over uit en het betekent vermoedelijk iets, in lijn met dit gehele artikel, waarvan maar afgevraagd moet worden of het überhaupt wel wenselijk is.

Nietzsche’s oplossing voor de vervlakking van waarden, ligt in het probleem zelf (het is overigens een probleem dat Nietzsche stelt, maar wordt door het overgrote deel van de mensen niet als probleem ervaren), hij pleit voor een “herwaardering van waarden”. Hiermee zegt Nietzsche veel meer dan Sloterdijk. Sloterdijk laat zich over de betekenis van zijn ideeën nergens uit in zijn werk, dat is zijn zwakte, hij poneert slechts dingen en wijst mensen een richting op. Waar Nietzsche een probleem stelt, gebruikt Sloterdijk een probleem voor zijn ideeën. Sloterdijk gebruikt iets dat dwingt in de richting van zijn ideeën, “de crisis” en “de apocalyps”. Het gebruik van de woorden “moeten” en het hanteren van de term “crisis” versterken elkaar. Op de kaft van het boek staan figuren in het rood afgebeeld, symbool voor de mensen die hun leven niet veranderen, tegenover een figuur die erbij wegloopt, symbool voor een mens die zijn leven wel veranderd (of beter: totaal overhoop haalt), en dus overeenkomstig Sloterdijk’s ideeën. Hij werkt slechts in op gevoelens en emoties van mensen, in morele termen, metaforen en symbolen, maar er wordt niks mee duidelijk gemaakt. Nietzsche daarentegen communiceert en toont mogelijkheden.

Het gaat om “communicatieve zelfsturing” en het “verborgen programma”, waar Arnold Cornelis over schrijft. (12) Dit kan gepaard gaan met de “zelftechnieken” zoals bedoelt door Foucault. Als je je aangetrokken voelt tot het werk van Nietzsche, omdat het in je verborgen programma past, is dat communicatie die in de zelfsturing kan worden verwezenlijkt.

“Geld en werk”

Sloterdijk wil de cultuur veranderen door de geldeconomie te veranderen, volgens zijn ideeën. De reden is daarvoor dat mensen met een uitkering nu profiteren. Sloterdijk spreekt over “inactieven”. Maar moet ontevredenheid ten opzichte van “inactieven” de reden zijn om de hele economie te veranderen en er vervolgens de cultuur er door te laten bepalen? Dat is zo ongeveer de slechtst denkbare reden.

Volgens Arnold Cornelis is de nieuwe tweedeling niet tussen mensen met werk en zonder werk, niet tussen mensen met geld en zonder geld, maar tussen mensen die zichzelf sturen en “extern gestuurden”. Nietzsche spreekt van “de veel-te-velen”, de “mislukkelingen” en “het ziek gebroed” om een bepaalde ontevredenheid aan te duiden. Daarentegen is Nietzsche helemaal niet zo negatief over “inactieven”, zoals hij beschrijft in het aforisme “Ten voordele van de nietsdoenden” (aforisme 284, in Menselijk, al te menselijk), hij zet daarbij de werkeloze mens tegenover de actieve, het gebrek van de actieve mens is dat het hen ontbreekt aan hogere (individuele) activiteit (aforisme 283, Menselijk al te menselijk). Nietzsche maakt overigens nog wel een onderscheid tussen “nietsdoenden of leeglopers” en “luiaards”, en voor die tweede groep hij heeft niet zo veel positiefs te zeggen. De “extern gestuurden” betreft een hele andere categorie dan waar Sloterdijk het over heeft. Sloterdijk scheert alle mensen met een uitkering over een kam en ziet er een reden in om te stoppen met het betalen van belasting en in plaats daarvan te werken met een systeem van het “geven van geld” aan maatschappelijke organisaties. Sloterdijk spreekt daarnaast van “onbruikbaren”, dus andere mensen zijn “bruikbaar”?

Sloterdijk vindt dat er te veel geconsumeerd wordt en wil dat mensen in plaats van te consumeren geld gaan weggeven, wat mensen trots zou maken. Maar de kritiek op de “consumptiemaatschappij” heeft vooral te maken met de vervuiling van het milieu. De economie beweegt zich echter in de richting van duurzaamheid. Sloterdijk redeneert dat bij het geven van geld aan maatschappelijke organisaties, mensen zouden willen weten wat er met hun geld gebeurt en, leid ik hier uit af, vervolgens invloed willen uitoefenen op de organisatie. Dat geld geven zou mensen trots maken. Sloterdijk spreekt over “geven”, maar “geld geven” is geen geven, zeker niet als je vervolgens invloed wil hebben. Bij het schenken of doneren van geld aan goede doelen, als donateur of als sponsor, speelt alleen de vraag of het een goede organisatie is en of je hun werk wilt steunen. Elke eis aan of invloed op die organisatie, is een belasting voor die organisatie. Sloterdijk´s ideeën om te stoppen met het betalen van belasting en de geldeconomie te veranderen heeft dus, zo bezien, het belasten van organisaties tot gevolg. Hij vindt dat de staat het geld van mensen inpikt. Hij wil de staat dus afbreken. Nietzsche schrijft hierover in Menselijk, al te menselijk (aforisme Godsdienst en regering: “.. Laten we het dus aan de slimheid en baatzuchtigheid van de mensen toevertrouwen dat de staat nog wel een behoorlijke tijd blijft bestaan en de vernielzuchtige pogingen van overijverige, overijlde schijngeleerden afgewezen worden!”.

De generositeit plaatst Sloterdijk tegenover de hebzucht, maar dat houdt een gebrek aan analytisch onderscheid in. Het gaat om twee verschillende zaken, het is weer een voorbeeld van een demagogische stijl bij Sloterdijk. Die hebzucht is slechts een gevolg van perverse prikkels en beloningen die mensen wordt aangeboden en in het vooruitzicht wordt gesteld. Die perverse prikkels en beloningen daar zou dus wat tegen gedaan kunnen worden.
Met zo´n revolutie krijg je dus een heel ander economisch systeem. Eerst, door onbaatzuchtigheid, voelen de revolutionairen zich de meerderen, dat is het gevaar waar Nietzsche over schrijft (aforisme 454, Menselijk al te menselijk). Maar vervolgens willen de mensen die geld geven, Sloterdijk’s redenering doortrekkend, ook nog eens bepalen wat er met het geld gebeurt. In plaats van belastingen krijg je waarschijnlijk belasting van organisaties en mensen. Het is niet allemaal zo “genereus” als het lijkt en de vraag hoe mensen eerst aan het geld komen, wordt achterwege gelaten door Sloterdijk.

“Beschaving”

Volgens Sloterdijk beschaven mensen elkaar als stenen in een rivier. (6) Dit is een vreemd gebruik van het begrip beschaving. Daaronder versta ik eerder een opvoedingsuitdaging om de hoge cultuur tot bloei te brengen. Of er wordt mee aangeduid het opkomen en de zorg voor de zwakkeren of het bevorderen van beschaafd gedrag. Sloterdijk doelt echter meer op het bevorderen van gemeenschappelijk gedrag en denken in een min of meer willekeurige richting, zonder rekening te houden met wat wenselijk is, als een onderdeel van zijn systeem van denkbeelden. Maar wat als enkele stenen in de rivier zich niet laten beschaven? Dan zijn dus deze stenen, deze individuen, de individuen die het beschavingsproces tot een eind brengen, waarbij dus niet beschaving het eindresultaat is, maar eerder, zo kan men voorstellen, verharding en verruwing door middel van aanpassing.

Dan nog enkele opmerkingen ten aanzien van de esthetische opvattingen van Sloterdijk. Onze hele leefomgeving zou gedesigned moeten worden. In het Engels heeft het woord design een hele brede betekenis. In het Nederlands maken we onderscheid tussen ontwerp en design. Sloterdijk heeft het niet over ontwerp, maar over design. En wat Peter Sloterdijk over muziek zegt daar worden we ook niet bepaald blij van: “performance muziek” (“van Prince tot free jazz”) en spectrale muziek (een genre in de moderne klassieke muziek), als deze “naar nieuwe horizonnen” gaan levert dat onverdraaglijke muziek op, daarvan zijn in de beide genres voorbeelden van te geven.

“Sferen, schuim en immuunsystemen”

Wat Sloterdijk over sferen zegt, valt ook het nodige tegen in te brengen. Een sfeer is niet de enige vorm van zijn. De tegenpool ervan is een vorm van zijn die Han Shan beschreven heeft in Cold Mountain. Cold Mountain is in tegenstelling tot in een sfeer zijn, een eenzame vorm van zijn, eenzaam maar trots, groots en meeslepend.

Sferen mogen dan wellicht immuunsystemen zijn, het zijn niet de enige immuunsystemen, zoals Sloterdijk doet voorkomen. Het schuim als immuunsysteem zou moeten worden vervangen door een ander immuunsysteem (Sloterdijk heeft het over de globale economie als “het nieuwe immuunsysteem”). Hij vergeet dan echter dat het kennissysteem van een mens een veel belangrijker immuunsysteem is, zoals Cornelis aangeeft, gericht op zelfsturing. Het schuim is bovendien slechts een vorm van zijn en van wonen in geval van woningcomplexen. Dat schuim zal blijven bestaan, zolang mensen die schuimbelletjes creëren. Het schuim kan echter ook gezien worden als beschavingsvorm die een gevolg is van een gebrek aan intieme en/of sociale contacten, waarbij de keuze voor de eenzaamheid niet haalbaar is (vanwege de woonvorm- en cultuur) of men dat niet wil en het niet als mogelijkheid beschouwd wordt. Cornelis schrijft verder nog dat schoonheid een immuunsysteem vormt, het geeft mensen de kracht om weerstand te kunnen bieden aan de bestaande wereld.

“Peter Sloterdijk en zijn grote verhaal”

Het komt mij voor dat Peter Sloterdijk een geloof heeft in de geldigheid/waarheid van de gedachten die hij ontwikkelt en ten toon spreidt. Maar zijn betoog berust vooral op demagogie, zoals ik hierboven heb laten zien.

Sloterdijk’s proza is alleen begrijpelijk en aantrekkelijk voor de lezer die een lichte vorm van waanzin toelaat en als prettig ervaart en het gezonde verstand uitschakelt. Dat, en het gebruik van grootse bewoordingen en gebaren, maakt zijn stijl demagogisch. Daarbij put hij veelvuldig uit een reservoir van vaak zelfverzonnen en woorden. Ook dit werken met zelfverzonnen woorden wordt door Nietzsche bekritiseerd (aforisme 127, “Tegen de taalvernieuwers”, De reiziger en zijn schaduw, Menselijk al te menselijk). Nietzsche schrijft ook nog “het op elk moment bereid zijn zicht in te leven, zich te storten anderen en het andere, kortom de beroemde moderne ‘objectiviteit’ is slechte smaak, het is onvoornaam par excellence. – ” (Afgodenschemering) Zo is Sloterdijk’s werk ook “het andere”, een normaal mens ervaart de wereld namelijk compleet anders dan hoe Sloterdijk het beschrijft. Zo is het lezen en zich inleven in het werk van Sloterdijk dus onvoornaam (in mijn interpretatie van Nietzsche).

Het is een grote misvatting te menen dat Sloterdijk een soort opvolger is van Nietzsche. Hij jat alleen termen van Nietzsche, omdat hij deze voor zijn eigen betoog kan gebruiken. Zoals de term “laatste mens”, hij geeft daar een volledig andere invulling aan dan Nietzsche. Nietzsche zet het tegenover de Ubermensch, maar Sloterdijk stelt dat wij hedendaagse mens, “laatste mensen” zijn (in “In hetzelfde Schuitje”), totaal tegen de betekenis van Nietzsche in. Maar mensen zouden beter kunnen nagaan hoe die termen passen binnen de filosofie van Nietzsche, in plaats van te denken dat Sloterdijk ermee in de traditie van Nietzsche filosofeert, want dat is geenszins het geval. Sloterdijk wordt vaak getypeerd als Nietzscheaans, ook omdat hij daar zelf aanleiding toe geeft door dus termen over te nemen en ook door zichzelf Nietzscheaans te noemen. Ik heb dus proberen te laten zien dat dit niet opgaat en dat Sloterdijk er wel heel makkelijk mee weg komt.

Sloterdijk refereert vaak aan Nietzsche’s vroege werk, zoals “De Geboorte van de Tragedie”. Het mag waar zijn wat Nietzsche schrijft in dit boek, maar het is richtingsloos. Ontwikkelingen kunnen nog alle kanten opgaan, dus ook in de verkeerde richting en ongewenste ontwikkelingen opleveren. Om dezelfde reden, vanwege de richtingloosheid van de filosofie, heeft Sloterdijk zich laten inspireren door het werk van Deleuze. Dat werk wordt ook gekenmerkt door richtingloosheid, ontwikkelingen kunnen nog alle kanten opgaan. Daarentegen heeft het werk Foucault en Cornelis wel positieve richting.

Nietzsche maakt later, waarschijnlijk mede om deze reden, het statement dat hij alleen nog maar boeken wil publiceren waarvan hij een geweten heeft als een “serafijn”. Sloterdijk is geen aanhanger van het latere werk van Nietzsche, zoals hij kenbaar heeft gemaakt.

Sloterdijk’s ideeën hebben geen overtuigingskracht in de zin dat het ware en ethische goede kunnen worden herkend, en niet, zoals bij Nietzsche het geval was, om de reden dat de cultuur en de mensen er niet rijp voor zijn. Sloterdijk’s werk geeft aanleiding tot het vermoeden dat hier niet de zelfsturende geest actief is, maar zijn denken eerder een uitvloeisel is van het vermogen om eigen voorstellingen te ontwikkelen waarbij zeer veel kennis wordt verwerkt. “Bij de juiste concentratie vloeien de zinnen vanzelf uit mijn pen.” zegt Sloterdijk.

Naar mijn inzicht gaat het bij Sloterdijk bij een mens om zijn impulsen, die een mens tot het denken en doen van dingen beweegt. In plaats van dat het gaat om de gevoelens die een mens heeft bij wat hij doet. Mensen (individuen) hebben bijvoorbeeld bedoelingen in het sociaal verkeer met andere mensen, ze willen eerlijk en oprecht (of eventueel juist boosaardig) met andere mensen omgaan. Maar Sloterdijk ziet mensen slechts als “dividuen”, waarmee deze hele sociale (en de hele individuele) dimensie verdwijnt (ijzingwekkend, om er alleen al aan te moeten denken). De praktijk van Sloterdijk’s ideeën betekent dat de mens leert om zijn bedoelingen uit te schakelen, tot het doen van dingen die hij juist niet bedoelt. Zijn ideeën leiden met ander woorden tot het “leren van waanzin en zelfdestructie”.

In Sloterdijk’s verhaal is geen plaats voor het gevoel, mensen zullen geen grootse en mooie gevoelens en ervaringen hebben, want mensen staan niet centraal in Sloterdijk’s visie. Voor geluk, gezondheid en schoonheid is daarom ook geen plaats in Sloterdijk’s visie (“alleen de kreupelen overleven” (1), zegt Sloterdijk). Centraal staat in zijn visie een soort op elkaar betrokkenheid van mensen, mensen zijn slechts “dividuen” volgens Sloterdijk, waarbij de spanningen negatief worden, zo heb ik laten zien, en opgevoerd worden. In Sferen 2 schrijft Sloterdijk dat “airconditioning het grote politieke thema wordt van de 21e eeuw” (2). Dat is natuurlijk een heel rare opmerking, die vraagt om een interpretatie. Mijn interpretatie: door “airconditioning”, worden die spanningen via de lucht ook nog eens gestimuleerd, opgewekt, verdeeld en aldus tot maximale proporties gebracht.

Sloterdijk heeft het over “de hel als consitutioneel lichaam”. (13) Hij heeft het over “Satan at the Center and Double Rhizomes”. (14) En ik ken nog een extreme uitspraak van Sloterdijk, maar ik wil me de moeite besparen om dat citaat te achterhalen en hier de juiste bron te vermelden. Sloterdijk lijkt wel een obsessie met de hel te hebben. Allemaal uiterst merkwaardig. Ik kan daar wel over nadenken, en dat heb ik ook gedaan, en over schrijven, maar nogmaals dan zou ik Sloterdijk in een te kwetsbare positie plaatsen, dat is niet de bedoeling van dit artikel en ik wil me die moeite verder besparen. Aan de lezer dus om hier iets van te vinden (of niet).

Er wordt wel, ook door Sloterdijk, gesproken over het “temmen van mensen”, maar als er iemand is die getemd moet worden is het wel Peter Sloterdijk zelf, die bij de Baghwan ging, omdat hij wilde dat iemand hem de baas was. Dat lukte echter niet.

Nietzsche in Afgodenschemering:
“Gelet op de middelen waarmee ze zich opdringen, zijn de moraal van het kweken en de moraal van het temmen volkomen aan elkaar gewaagd. De volgende stelling mogen we hierbij als hoogste wet aanmerken: wie een moraal wil ontwikkelen, moet over de onvoorwaardelijke wil tot het tegendeel beschikken. Dit is het grote, het onheilspellende probleem, waar ik me lange jaren heb beziggehouden: de psychologie van de ‘verbeteraars’ van de mensheid. Een klein en in de grond van de zaak bescheiden gegeven dat van de pia fraus (noot: heilige leugen), gaf mij de eerste toegang tot dit probleem: de pia fraus, het erfgoed van alle filosofen en priesters die de mensheid ‘verbeterden’. Noch Manu noch Plato noch Confucius noch de joodse en christelijke geloofsverkondigers hebben ooit getwijfeld aan hun recht op te liegen… En er zijn nog heel wat andere rechten waaraan ze niet getwijfeld hebben. Men zou een en ander in de volgende formule kunnen vangen: alle middelen waarmee men tot dusverre de mensen tot morele wezens heeft proberen te maken, waren door en door immoreel. -”

Sloterdijk’s manier om mensen op morele wijze toe te spreken en moreel te oordelen over zaken, dit betreft ook zo’n immoreel middel. Sloterdijk houdt bijvoorbeeld een praatje over vriendschap en daarmee paait hij zijn publiek, want niemand is tegen vriendschap. Maar dat praatje houdt geen verband met zijn eigen ideeën. Als hij zegt dat “vriendschap op het eerste gezicht” “wel iets interessants” is gaat hij daar verder niet op in. Sloterdijk heeft onlangs nog weer eens een boek geschreven “De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd.” Hem moet maar eens gevraagd worden wat hij met “nieuwe tijd” bedoelt (en dan doorvragen). Ik vermoed dat hij iets heel anders bedoelt dan het tijdsgewricht waarin we nu leven, namelijk een tijdsvoorstelling die past in zijn ideeënsysteem. “Nieuwe tijd” is een begrip dat in de cultuur allang een betekenis heeft, Sloterdijk geeft er vermoedelijk een geheel andere betekenis aan (hij “kaapt” het begrip).

Sloterdijk zegt gewoon in een van zijn reacties: “Ik heb gelijk.”. Als je in het gelijk van je eigen gedachten gelooft, je “grote verhaal” en je redeneringen niet kunt beargumenteren, de geldigheid ervan niet onderzoekt of niet aan kritiek wilt onderwerpen, is dat inderdaad het enige wat je nog kunt zeggen. En gelijk hebben betekent uiteraard dat je ook gelijk krijgt. Bovendien hij heeft niet gelijk, we leven weliswaar in een christelijke cultuur, althans in de grond, op basis daarvan zou hij in bepaalde opzichten gelijk kunnen hebben. Het lijkt er sterk op dat Peter Sloterdijk zijn eigen persoon belangrijker vindt dan heel de menselijke cultuur en maatschappijen met heel haar (hun) historische en logische verleden(s). In een conferentie van het ISVW over Sloterdijk, hield Sloterdijk een vaag verhaal over “God worden”, waarna hij aan het eind van zijn verhaal een niet mis te verstaan gebaar maakte. Dit is op video opgenomen. (6)

Sloterdijk vertelt een “groot verhaal”, zo beweert hij. Een groot verhaal doet alsof de “geschiedenis is voltooid”, ieder groot verhaal is daarop gestoeld, en daarmee zou er volgens de vertellers een soort grondslag zijn voor het grote verhaal, dat verder geen argumenten meer behoeft. Echter een bepaalde niveau van ontwikkeling van de mensheid, de maatschappijen en de cultuur maakt altijd deel uit van een ontwikkeling van de mensheid vanaf het begin, en we zijn niet aan het eind van die ontwikkeling. Die ontwikkeling gaat altijd door, en dat kan niet in een groot verhaal worden gevat. Dat is dan ook de zwakte van ieder groot verhaal, wat ook de achterliggende reden is waarom het ongeldig is. Sowiezo een “eind van de geschiedenis” en dan? Wat moeten we ons daarbij voorstellen?? Arnold Cornelis doet een heel andere vertelling, dat van het “filosofisch scheppingsverhaal” in zijn boek de Vertraagde Tijd. Dat is geen metafysica of groot verhaal, maar een kennistheorie. Cornelis’ verhaal heeft een begin, maar geen eind. Hij maakt duidelijk hoe er een “derde stabliteitslaag in de cultuur” ontstaat in onze tijd, dat van de “communicatieve zelfsturing” waarin de emotie “verdriet” zich kan nestelen. Deze stabiliteitslaag stelt de twee andere stabiliteitslagen, van het “natuurlijk systeem”, waarin de emotie angst zich kan nestelen en “het sociaal regelsysteem”, waarin de emotie boosheid zich kan nestelen, op elkaar af. De ontwikkeling van de maatschappij gaat volgens de kennistheorie van Cornelis altijd door.

Vergeet verder dus het “grote verhaal” van Peter Sloterdijk (*) (en zijn hulpje Bruno Latour), maar haal alleen datgene uit zijn werk, dat je kunt gebruiken, met behulp van ‘zelfsturingsinzicht’.

Bronverwijzingen:

(1) P. Sloterdijk – Je moet je leven veranderen

(2) P. Sloterdijk, op een lezing van het ANS, Nijmegen

(3) P. Sloterdijk – Sferen 1 & 2

(4) P. Sloterdijk, T. Macho – Gespräche über Gott, Geist und Geld

(5) http://www.arnongrunberg.com/blog/1799-competition

(6) P. Sloterdijk, op een lezing van het ISVW

(7) P. Sloterdijk – “We gaan het onmogelijke mogelijk maken” (Filosofie Magazine, nummer 6, 2009)

(8) F. Nietzsche – De Vrolijke Wetenschap

(9) F. Nietzsche – Menselijk, al te menselijk

(10) F. Nietzsche – De Geboorte van de Tragedie

(11) F. Nietzsche – Afgodenschemering

(12) A. Cornelis – Logica van het Gevoel

(13) Gespräche über Gott, Geist und Geld http://www.amazon.de/Gespr%C3%A4che-%C3%BCber-Gott-Geist-Geld/dp/3451309289/ref=sr_1_3?ie=UTF8&qid=1425816905&sr=8-3&keywords=sloterdijk

(14) http://lareviewofbooks.org/interview/satan-center-double-rhizomes-discussing-spheres-beyond-peter-sloterdijk

Filosofie Nietzsche / Sloterdijk /

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *