juli 4, 2015 - admin

Aanzetten tot een toekomstmodel voor Europa

Aanzetten tot een toekomstmodel voor Europa

Europa op het niveau van de economie, de politiek, en de cultuur.

Nooit in de geschiedenis van Europa (van voor WOII) was er echte samenwerking tussen alle Europese landen (en helemaal niet een samenwerking die strekte tot aan de regio’s zoals vandaag wel het geval is). Alleen koninkrijken konden bestaan, onder de macht van enkelen. Er was handel, er was oorlog. Handel was voornamelijk een bilaterale kwestie. Als er samenwerking was had dat alleen de vorm van het vaststellen van landsgrenzen, het voorkomen van oorlogen en conflicten.

Cultuur

800px-Mozart_(5)

De Europese cultuur was er eerder dan een Europese economie en politiek, en moet ook het sluitstuk van de Europese integratie zijn.

In de 20e eeuw bestond er bijna niet meer zoiets als een Europese cultuur. Het was het tijdperk van de
naties. In de de filosofie en in de beeldende kunst misschien, maar dat speelde een marginale rol onder de burgers van de verschillende Europese landen. Behalve in de jaren 60 misschien, daarna zwakte het weer af. Maar ook dat was geen Europese gebeurtenis in de ware zin. Wel kwam de popmuziek opzetten, de Beatles waren ook in Nederland waanzinnig populair, maar dat was ook geen Europees fenomeen. Wel heeft dat alles een sterke internationalisering teweeg gebracht, tezamen met technologische ontwikkelingen op mediagebied en de opkomst van de telecommunicatie. Opmerkelijk is dat rond die tijd de Nederlandse popmuziek van geringe betekenis was.

In het verleden was er wel een Europees bewustzijn: de Renaissance, de muziek van Mozart en Beethoven en de schilderkunst, de cultuur van het brievenschrijven, de invoering van de boekdruktechniek, de bronnen van de Oudheid, de Verlichting. Het culturele Europese bewustzijn ontbreekt vandaag nog. Er is genoeg cultuur erfgoed. Er verschijnen wel meer (populaire) boeken over Europees cultureel erfgoed is mijn indruk. Het wordt ook meer toegankelijk gemaakt, mogelijk zal dit in de toekomst meer gebeuren, als Europa meer geïntegreerd raakt, ook door de mensen zelf. Een Europese cultuur blijft echter toch een zaak van ‘hoge cultuur’, en dit zal nooit een zaak van het volk zijn. Dat is ook niet wenselijk.

Economie

Concurrentie van het bedrijfsleven. De identiteiten van bedrijven en organisaties zijn nauw verweven met de identiteit van een land. Daar is nog te weinig oog voor. Er zijn bijvoorbeeld (voor zover ik weet) geen tijdschriften over, die dat uitgebreid belichten. Hoe presteren onze bedrijven in de wereld? Dat is juist in Europees en internationaal perspectief ontzettend interessant. De concurrentiekracht van een land, de sectoren waar het ene land zich meer op richt dan het andere, heeft sterk zijn te maken maken met de historie en de identiteit van het land. Staten hebben daar invloed op in de vorm van onderwijs en opleidingen, wetenschappelijk onderzoek en het stimuleren van bedrijfstakken (bedrijven die mogelijk anders failliet gaan, wat vaak niet nodig is, omdat ze nog in belangrijke mate levensvatbaar kunnen zijn). De EU heeft veel meer een taak op het gebied van algemene kennisontwikkeling om waarden te realiseren, zoals het efficiënter omgaan met grondstoffen en het verbeteren van het milieu, voor de Europese landen, maar ook voor de rest van de wereld. Door bijvoorbeeld subsidies te verstrekken en de wetenschappelijke samenwerking tussen de onderwijs- en onderzoeksinstellingen te bevorderen. Maar deze invloed van de EU moet niet te groot zijn, concurrentie van landen op het niveau van bedrijven en organisaties moet blijven bestaan. Mogelijk hangt dit echter meer met andere zaken, zoals identiteit, samen. In hoeverre is het wenselijk dat kennis gedeeld wordt? Er is denkwerk voor nodig, hoe dit vorm te geven.

Zoals gezegd, er is concurrentie tussen de Europese landen / staten, maar ook tussen Europa en de rest van de wereld. Dat eerste is in de VS veel minder het geval. De staten concurreren daar niet of veel minder (voor zover ik weet), want er is veel minder sprake van diepgaande identiteitsverschillen.

De Europese samenwerking moet niet leiden tot scheve concurrentieverhoudingen, het ene land mag er niet (onredelijk / buitensporig) meer voordeel van hebben dan het andere. Of landen moeten gecompenseerd worden, een kwestie van onderhandeling. Dat is van belang om in het oog te houden, de Europese samenwerking kan nooit alle landen in gelijke mate tevreden stellen. Dat moet niet leiden tot onbestuurbaarheid. Daarom is onderhandeling belangrijk, want landen voelen zich in het ootje genomen als Brussel de beslissingen voor ze neemt, ook aangaande Europa. Inspraak van de landen verhoogt het commitment aan Europa als geheel, ook al lijkt het in eerste instantie misschien niet zo. Er treden compliticaties op bij de grensstreken/-landen, waar houdt Europa op (richting het Oosten)? Die grensstreken/-landen, moeten des te meer commitment tonen aan Europa willen ze erbij horen (op het gebied van mensenrechten bijvoorbeeld en ze moeten misschien zelfs een deel van hun cultuur/tradities opofferen..), tegelijk moet Europa deze landen meer te hulp zijn (want veelal zijn dit landen die een sterke economische achterstand hebben). Door het op een hoger plan brengen van deze onderontwikkelde landen profiteert Europa als geheel. Iets soortgelijks geldt in het algemeen voor de problematiek van sterke landen en zwakke landen, zeker bij de toetreding van meer (Oost-Europese) landen tot de eurozone. We hebben hier al de nodige ervaring in opgedaan. Te veel steun aan zwakkere landen kan ertoe leiden dat die landen andere landen in economisch opzicht, en bijvoorbeeld in bepaalde bedrijfstakken, voorbijstreven. Dat is wel een reëel probleem, maar het hoort bij de dynamiek die alle partijen, landen, regio’s als bedrijven en organisaties aangaat. Het zou wel heel saai worden zonder dynamiek. Het is dus ook een schijnprobleem ingegeven door angst en het zien van een bedreiging van hun eigen economie. Het stil blijven staan bij de feitelijke situatie en het niet inzien van groeipotentieel (ik refereer hier graag aan het concept van “communicatieve zelfsturing”, geïntroduceerd door kennistheoreticus Arnold Cornelis, dat een theoretische oplossing biedt voor deze problematiek). De politici van de lidstaten moeten meer gaan inzien dat de groei van zwakkere landen en gebieden, Europa als geheel ten goede komt. Populisme in de politiek van de afzonderlijke lidstaten is hierbij veelal het struikelblok (hieronder geef ik een aanzet tot een oplossing van dit probleem). De ECB heeft hierin een niet geringe taak, omdat haar strategie het ene land (vaak de zwakkere) meer ten voordeel is als het andere. Dat is wellicht niet haar officiële taak, maar wel de uitwerking van haar strategie. Door het vizier te houden op de concurrentiekracht ten opzichte van de rest van de wereld is er ook sprake van meer commitment van de landen aan Europa. Het commitment zal sterk groeien als er een meer Europese cultuur zal ontstaan. Zo kan Europa alleen maar sterker worden.

Beleid

Er was geen sprake van een landbouwbeleid, dat was gewoon een bedrieglijk vorm van algemeen belang, de boeren hebben daar flink van kunnen profiteren. Frankrijk heeft dat er doorgedrukt. Het heeft veel schade aangebracht aan het landschap en het milieu bijvoorbeeld, daarom was er geen sprake van beleid in de vorm van het bevorderen van waarden.

De economische samenwerking tussen landen, ook op andere gebieden, bleef zo een kwestie van verkapt beleid. Dat verandert nu. Zoals aangegeven, bijvoorbeeld bij de kennisontwikkeling gericht op waarden.

Wat heeft Europa het gewone volk te bieden? Het bevorderen van de werkgelegenheid wordt in dit kader gezien als ook een belangrijke taak van Europa. Waarom?, vraag ik me af. Kunnen landen niet gewoon leren van elkaar? Is het nodig dat Europa hiervoor de financiële middelen in beheer moet hebben? Is dit om het gewone volk aan Europa te binden? Is dat gerechtvaardigd? Wat zijn precies de overwegingen? Ik denk dat bijvoorbeeld de bereidheid onder het volk om in andere Europese landen te gaan werken ook gering is. Beter kan wellicht ingezet worden op het stimuleren van de ontwikkelingen van achterstandsgebieden, zo wordt Europa concreter en dichter bij het volk gebracht. Europa heeft zijn peilen gericht op sociaal-economisch beleid, zodat het gewone volk goed opgeleid wordt en ook goede banen kunnen krijgen en meer deel krijgen in de welvaart. Het volk verdient goede banen, daarmee bedoel ik banen die meer in het teken staan van “kennissturing”, banen in de vorm van “kenniswerkers” (waarbij de “herhaalbare arbeid” zoveel mogelijk komt te vervallen). Kan dit gezien worden als een waarde waarover Europa hoedt..? Of valt dit onder de noemer van de concurrentiekracht van Europa? Een win-win situatie? Hierover is dus volgens mij nog weinig duidelijkheid. Misschien is dit bij uitstek wel iets wat de landen in eerste instantie zelf willen, in plaats van dat Brussel dat bepaald. De landen willen zelf goede banen en welvaart voor hun burgers en op die manier de concurrentiepositie van hun economieën verbeteren. Brussel moet zich hier wellicht volgend opstellen in plaats van sturend. Het beleid zou kunnen worden gemaakt door onderlinge samenwerking van de lidstaten zelf en van de werkgevers- en werknemersorganisaties, zonder tussenkomst van de Europese politiek. Dat kan leiden tot een Europees stelsel (met basisrechten en -voorzieningen), verankerd in de Europese instituten, dat opkomt voor de belangen van werknemers en dat tevens als resultaat heeft dat de concurrentiekracht van Europa als geheel ten opzichte van de rest van de wereld verbeterd. Er is nog veel denkwerk vereist en het moet verder uitgewerkt worden.Moravian_Slovak_Costumes_during_Jizda_Kralu

Een koppeling van Europese politiek met de verschillende regio’s, dat is al een duidelijk kenmerk van de ontwikkeling van de EU, maar het bestuurlijk-filosofische kader ontbreekt mijns inziens nog. De regio’s brengen weer een andere, specifiekere, lokalere identiteit en karakter met zich mee dan de identiteit van een land. Dat kan beschouwd worden als een reden dat Europa de bescherming van de regionale gebieden (folklore, natuurbescherming, milieu) in zich opneemt, omdat de meeste landen moeite hebben om dat beleidsmatig te coördineren, het is voor een land niet belangrijk genoeg en de EU heeft deze taak al voor een groot deel overgenomen (men kan de historische ontwikkeling hiervan onderzoeken). Deze twee zaken komen op een interessante wijze bij elkaar in het perspectief van vakanties. Als “het volk” op vakantie gaat naar een ander land, dan richt het daar veelal een soort “nationale” (dat woord mogen we echter niet meer gebruiken) kolonie op, mensen van hetzelfde land groeperen zich bijvoorbeeld op campings. Dat is niet alleen maar een “plat” verhaal. Een volk blijft zo zichzelf en er kunnen zo ontmoetingen ontstaan tussen verschillende culturen. Men herkent elkaar in hoe men in het leven staat en is benieuwd naar elkaar, waarbij men zijn eigenheid behoudt, maar wellicht ook leert van elkaar. Gastvrijheid is in dit kader een groot goed (bevordert door sociale media als Friendlife.com..?).

Het versterken van afzonderlijke, achterblijvende gebieden in de landen van Europa kan ook de bereidheid tot solidariteit tussen de sterke en zwakke landen doen toenemen. Immers dit is een probleem van algemene aard, alle landen hebben baat bij ontwikkeling van achterblijvende gebieden, die vaak buiten de rijkweidte en het bestuur van de landen valt. De landen hebben hier onvoldoende middelen voor en het bestuurlijke apparaat is er vaak niet adequaat op ingericht. Het succes is veel meer afhankelijk van een actorenspel, in plaats van dat de overheden dit allemaal regelen. Dit is een belangrijk beleidsaspect van de EU, het is een wapen tegen populisme, omdat het Europa dichter bij het volk en de burgers brengt. De rol van de EU moet zich hierbij niet beperken tot het leveren van financiële middelen, het moet een actieve rol spelen in deze processen. Bijvoorbeeld door het ondersteunen van actoren bij de uitvoering van het beleid, door kennis, door het met elkaar in contact brengen van actoren (bedrijven, non-profit organisaties, particulieren), door het bieden van oplossingen voor de organisatie (er kan ook gedacht worden aan IT en sociale media) etc.

Europees beleid, maar hoe ziet het bestuur eruit van een toekomstig Europa? Het aanleggen van hogesnelheidstreinen en andere infrastructuur, als deze de mobliteit tussen Europese landen verbeterd. Ook evenementen, als deze een internationaal karakter hebben, kunnen georganiseerd worden in Europees verband (of moet dit bij de lidstaten blijven?), waarbij ook in ogenschouw moet worden genomen wat de gebruikswaarde van de faciliteiten op langere termijn kunnen zijn. Ook kleinere landen en achtergebleven regio’s moeten evenementen kunnen organiseren (samenwerking bij grote evenementen tussen kleinere landen en/of meer kleinere evenementen), het bouwen van de faciliteiten kan op deze wijze een structurele impuls geven aan het sport- en cultuurklimaat. Beleid kan ook zijn weerslag hebben op het bestuur op regionale schaal, en zelfs op de schaal van kleine ondernemingen (denk aan boerenbedrijven). Zoals bij het beschermen en “ontwikkelen” van de natuur, de (uitwerking van) de KRW is hiervan een goed voorbeeld. Er kan geinvesteerd worden in de vergroening van woningen en gebouwen. Dat zou op termijn prima (deels) in Europees verband kunnen, met Europese financiële middelen (waarom niet? Eurobonds?). Het brengt Europa dichter bij de burger. Publieke investeringen leiden zo tot banen.

Met betrekking tot dit alles, de vraag blijft: wat blijven de lidstaten zelf doen en wat doet Europa precies? Er is afstemming op beleidsterreinen, maar het moet allemaal niet te ingewikkeld worden. Europa moet niet een te dominerende rol krijgen.

In hoeverre is er nog een noodzaak tot bilaterale samenwerking? Verstoord dat de Europese samenwerking of is zij een welkome zaak? Bilaterale instituten voor letteren- en cultuurstudies zijn mogelijk van groot belang voor de cultuur, het is bijvoorbeeld een verarming dat de Frans-Nederlandse samenwerking op dit gebied is afgeschaft. Een en ander heeft ook geleid tot een enorme kaalslag in de taal- en letterenstudies aan de universiteiten.

Het woord “federatie” kan het best vermeden worden, het Europese project van vandaag is iets geheel nieuw. Er blijft namelijk een noodzaak tot het voeren van onderhandeling in de Europese politiek en het hebben van inspraak door de lidstaten en dan is er technisch gesproken geen sprake van een federatie. Wel kan worden gesproken van een Verenigde Staten van Europa, dat spreekt elkaar niet tegen.

Europa Cornelis /

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *